Als een veulen nog aan het groeien is en je kan er nog niet mee rijden of trainen, dan is het niet voor iedereen handig om het in de eigen wei te hebben staan of er een dure stal voor te betalen. Wil je bovendien dat je veulen met meer ruimte of in een grotere kudde kan opgroeien, dan is een veulenopfok de juiste keuze. Paardenexperte Rianne van Horse in Mind vertelt je alles wat je moet weten over een goede veulenopfok.

Wat is een veulenopfok?

Heb je zelf maar een of twee andere paarden op een relatief klein weide, dan is dat voor een veulen best een saaie plek om op te groeien. Een veulenopfok bestaat daarom meestal uit een grotere groep paarden op een ruim terrein. Vaak is dit een grote weide met voldoende schuilmogelijkheden. Ook de hoefsmid en de dierenarts komen hier regelmatig langs voor de nodige verzorging, inentingen en ontwormingen. De veulens verblijven hier doorgaans voor een periode tussen één en drie jaar, kort nadat ze zijn gespeend. Idealiter ligt de minimumleeftijd van het veulen op zes maanden wanneer ze gespeend worden. In de praktijk wordt helaas nog regelmatig eerder gespeend, wat eigenlijk niet wenselijk is.  Vanaf welke leeftijd het veulen welkom is in de opfok, hangt vaak af van de regels van de betreffende stal.
In een veulenopfok krijgt je veulen de kans om in een grotere groep paarden op een ruim terrein op te groeien
Op de meeste plekken kan je je veulen komen bezoeken, terwijl het bij andere eerder niet gewenst is. Vaak speelt ook de ligging van de veulenopfok een rol: er bevinden zich diverse opfokstallen in Duitsland, Frankrijk en zelfs in Tsjechië, waar het terrein dikwijls beter geschikt is en er veel meer ruimte beschikbaar is dan bij ons. Dan is het natuurlijk niet zo evident om even op en af te rijden om je veulen een bezoekje te brengen. Geen zorgen, de veulenopfok in kwestie bezorgt je in dat geval een regelmatige update via mail om je op de hoogte te houden van het reilen en zeilen van jouw jonge paardje! Gelukkig zijn er ook heel wat veulenopfokstallen in België en Nederland te vinden.
 
 

Welke verschillende types veulenopfok bestaan er?

 
  • Je kan kiezen voor een veulenopfok waarbij je veulen in het gezelschap van enkel leeftijdsgenootjes vertoeft. Elk jaar wordt een nieuwe groep veulens gecreëerd, die hun tijd in dezelfde groep doorbrengen tot ze circa drie jaar oud zijn. Ze groeien dus letterlijk samen op en worden samen ouder.
     
  • Wil je liever dat je veulen met paarden van verschillende leeftijden bij elkaar opgroeit, dan kan dat ook. Soms zitten er zelfs ook oudere paarden bij, wat extra voordelen qua socialisatie met zich meebrengt. Daarover lees je hieronder meer.
     
  • Tot slot bestaan er ook types waar je de merrie in eerste instantie kan meebrengen en het veulen ter plaatse gespeend wordt. Dit levert een veel meer geleidelijke manier van spenen op: met veel ruimte en vriendjes in de buurt zal het veulen vanzelf wat minder vaak gaan drinken bij zijn moeder en kan je haar na een tijdje zonder problemen weer weghalen. Deze methode leunt het dichtst aan bij hoe paarden in het wild opgroeien: in de natuur wordt een veulen pas rond de 8 à 9 maanden gespeend.
Veulen met merrie in een groep paarden
Door de merrie mee te brengen naar de opfok, kan het veulen ter plaatse op een meer geleidelijke, natuurlijke manier gespeend worden
Zelf zouden we adviseren om je veulen onder te brengen in een groep met een gezonde mix van verschillende leeftijden. Dat mogen dan gerust alleen maar merries of alleen ruinen of hengsten zijn, maar voor het mentale welzijn van je veulen is het wel essentieel om omringd te zijn door zowel jongere als oudere paarden.
 
 

Waarom is een mix van leeftijden belangrijk?

Een groep met enkel veulens van dezelfde leeftijd kan je een beetje vergelijken met een kleuterklas zonder juf of meester. Jonge dieren die alles zelf maar zo’n beetje moeten uitzoeken, zullen hun plan wel trekken, maar met wat oudere paarden erbij zetten ze veel makkelijker grote stappen vooruit wat betreft socialisatie en gepast gedrag richting kuddegenootjes. 
 
Veulens leren enorm veel van het kijken naar andere paarden. Hoe kom je bijvoorbeeld aan een takje met malse blaadjes dat wat hoger hangt? Of hoe weet je dat je voorzichtig moet zijn met stekelige distels of gladde bermen als je uit de sloot wil drinken? Ook voor handelingen die de mens uitvoert, kan het geruststellend zijn om te zien dat een ouder paard het allemaal rustig ondergaat – denk maar aan halsteren, een deken over de rug leggen of vliegenspray gebruiken.
 
Door de ‘oudjes’ te observeren, leren ze ook hoe ze zich wel of niet horen te gedragen tegenover andere paarden. Wanneer een veulen bijvoorbeeld een beetje te ruw speelt, eten afpakt van een soortgenoot of zich in de buurt van een gevaarlijke plek begeeft, zal het door een senior al sneller tot de orde geroepen worden dan door een ander veulen. Maar ook omgekeerd zie je dat een veulen dat in z’n eentje bij een groep oudere paarden gezet wordt, geen geschikt speelkameraadje vindt tussen die 10- tot 20-jarigen. Een jong paard heeft echt één of enkele leeftijdsgenootjes nodig om te stoeien en de omgeving te verkennen. Een speelse oudere ruin zou die rol eventueel nog wel op zich kunnen nemen, maar zijn vorm van spelen is vaak toch anders dan hoe veulens het onderling doen.
Groep jonge Arabische paarden
Een groep jonge paarden bij elkaar mist een ‘leermeester’ waar ze gewenst gedrag van kunnen afkijken

Waarom is voldoende ruimte in de opfok belangrijk?

De groeischijven tussen de botjes van het veulen sluiten van onderen naar boven. Het begint bij het hoefbeentje – dit sluit meteen na de geboorte – en dan gaat het langzaam omhoog tot aan de ruggengraat en de hals. Die laatste groeischijven sluiten pas wanneer het paard tussen 6 en 9 jaar oud is. In de eerste jaren zijn het dus de benen die ‘vastgroeien’. Dat betekent dat het bot zich nog kan aanpassen als er bijvoorbeeld op jonge leeftijd veel belasting is door vrije beweging. Is er vrijwel géén belasting, bijvoorbeeld door veel op stal te staan, dan zal je dat terugzien in de dichtheid van het bot. Botdichtheid past zich aan de belasting ervan aan. Dat geldt ook voor de pezen en de spieren. Daarom wil je dat je veulen al op jonge leeftijd voldoende ruimte heeft, zodat het veel kan bewegen
 
Bovendien bestaat het terrein liefst uit verschillende types ondergrond. Dit geldt voor alle paarden, en dus ook voor veulens, wanneer je natuurlijke huisvesting wilt nabootsen. Zo bied je je veulen zoveel mogelijk variatie qua stimulatie aan, wat goed is voor zowel de hoeven – die ook in volle ontwikkeling zijn – als de botten, pezen en spieren van het jonge paard. Paarden die opgegroeid zijn op ‘ruw’ terrein, zijn veel zekerder van waar en hoe ze hun hoeven neerzetten en hoe ze hun lichaam daarbij gebruiken. Let bij de keuze van een veulenopfok dus niet alleen op de oppervlakte, maar ook op de ondergrond van het terrein.
Kudde rennende paarden in het gras
Hoe meer ruimte de jonge paarden hebben om rond te rennen, hoe beter voor hun ontwikkeling
Hoe meer ruimte, hoe vrijer de kudde zich kan bewegen en hoe minder stress de dieren ervaren. In een doorsnee veulenopfok in Frankrijk of Duitsland zal je al sneller een groep van twintig of dertig paarden op een weide van zo’n 50 hectare aantreffen. Dat is heel anders dan een weide van een halve hectare waar tien veulens op staan, wat best wel druk is. Zolang er voldoende plaats voor de paarden is om in alle rust te eten en drinken alsook te schuilen indien nodig, is de totale oppervlakte van het terrein minder van belang.
 
 

Extra aandachtspunt: het weidebeleid

Eens je veulen gespeend is, zal het in de zomer vooral gras eten. Als de weide heel kort gemaaid of afgegraasd is, gaan veulens vaak met hun voorbenen helemaal uit elkaar staan om bij het gras te kunnen, omdat hun benen op dat moment nog langer zijn dan hun hals. Wat je dan ook ziet, is dat sommige veulens altijd met hetzelfde been naar voren staan te eten van dat korte gras. Vanaf hun geboorte hebben paarden namelijk al een voorkeurskant. Dan krijg je al snel een heel duidelijk verschil in de ontwikkeling van de hoeven: het ene hoefje krijgt een plattere en langere vorm, terwijl het andere smaller en hoger wordt, omdat hetzij de teen, hetzij de hiel overbelast dan wel onderbelast wordt. Dit wordt dan ook een ‘graasvoetje’ genoemd. Dat risico is zelfs nog groter als je veulen al een aangeboren, asymmetrische hoefafwijking heeft. Vergewis je er dus van dat er in de veulenopfok tijdig van weide gewisseld wordt, vooraleer het gras te kort wordt.
 
 

Tot slot: kan je het ook zelf doen?

Heb je een kudde van tenminste drie of vier paarden – met een paard dat speels genoeg is of dezelfde leeftijd heeft als je veulen – en heb je er de ruimte voor, dan kan je de opfok van je veulen in theorie perfect zelf voor je rekening nemen. Zo kan je je veulen ook elke dag zien ontwikkelen, het regelmatig controleren op wondjes en gewend laten worden aan jouw aanrakingen.
 
Kan je echter niet de juiste kudde en de juiste ruimte beschikbaar te stellen, dan kies je beter voor een professionele opfok om je veulen op een veilige, gezonde, fysiek en mentaal uitdagende en zo natuurlijk mogelijke manier te laten opgroeien. Als je contact met je veulen belangrijk vindt en de stressvolle terugkeer na enkele jaren  ‘weg van huis’ wil vermijden, kies er dan eentje dicht bij je woonplaats waar je regelmatig op bezoek mag gaan.
 
 

Deel dit artikel

Aanbevolen artikelen